Precies een jaar geleden maakte ik, als zielig en eenzaam ukkie, voor de eerste keer kennis met de Parijse metro in de ochtendspits (l’enfer!), trok naar de vijfde universiteit van Parijs voor de één of andere idiote Franse test, begon een Engels-Frans gesprek met een Spaanse griet die – je raadt het nooit – Carmen heette, trok dan naar de zevende universiteit van Parijs, bewonderde de ultramoderne ligne 14 van de metro, dwaalde eventjes rond doorheen het 13de arrondissement dat toch wel een werk in opbouw was (en waarschijnlijk nog altijd is), vond uiteindelijk de universiteit, trof een overvolle gang aan in het Bureau International, raakte aan de praat met een Londense griet die de uiterst geweldige woorden zei: “You can just walk into the office!”, beklaagde me nadien dat ik de Londense griet had vertrouwd (tussen Kevin – de Franse Erasmuscoördinator – en mij is het nooit meer goed gekomen), begon een conversatie met een paar Italianen die alleen maar Italiaans konden, begon een conversatie met een Italiaanse die Engels kon (hallelujah!), begon een West-Vlaamse deerne een conversatie met mij (Vlaamsch, Vlaamsch!), keek een West-Vlaamse kerel een beetje vertwijfeld toe (wij hyperactieve Kempenaars zijn nu eenmaal een ras apart), besloot Kevin om de deuren van het kantoor dicht te gooien en zei ik de legendarische woorden: “Allez, zulle we ne sandwich gaan ete?”
